Hoe verricht je ‘Umrah?

Samenvatting van de rituelen van ‘Umrah
Een rituele wassing (ghusl) nemen, zoals men zou doen na geslachtsgemeenschap. Mannen mogen parfum aanbrengen. Vrouwen mogen geen parfum of geur gebruiken.
Het dragen van de ihrām-kleding: de izār (onderkleed) en ridā (bovenkleed).
Een vrouw mag onder haar jilbāb dragen wat zij wil, maar zij mag geen niqāb vastbinden en geen handschoenen dragen.Het uitspreken van de intentie om de staat van ihrām binnen te gaan bij de aangewezen mīqāt. Daarna reciteert men de talbiyah totdat men op het punt staat te beginnen met de tawāf.
Het verrichten van zeven rondes (tawāf) rond de Kaaba, beginnend bij de Zwarte Steen (al-Hajr al-Aswad) en daar ook eindigend.
Het verrichten van twee rak‘ahs achter de Maqam Ibrahim (de Standplaats van Ibrāhīm).
De sa‘ī tussen Safa en Marwah van zeven rondes, beginnend bij Safā en eindigend bij Marwah.
Het scheren of knippen van het haar voor mannen (scheren heeft de voorkeur). Vrouwen verkorten hun haar door er een vingertoplengte vanaf te knippen.
Ihrām
Wat betreft Ihrām: dit is de intentie om deel te nemen aan de rituelen van ‘Umrah en de kleding daarvoor aan te trekken. Degene die ‘Umrah wil verrichten, moet zich baden zoals men zich zou wassen na een staat van seksuele onreinheid (d.w.z. ghusl verrichten). Vervolgens brengt een man de beste beschikbare geur aan – deze wordt aangebracht op het hoofd, de baard en eventueel elders. Wat er van de geur overblijft na het betreden van de staat van Ihrām, schaadt de rituelen van ‘Umrah niet. Geur mag niet op de Ihrām-kleding worden aangebracht. Volgens Bukhāri en Muslim zei ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):
“Wanneer de Profeet (ﷺ) de intentie had om in Ihrām te gaan, bracht hij de beste geur aan die hij kon vinden. Daarna zag ik het muskus glinsteren op zijn hoofd en baard.”
Het ghusl (bad) voor Ihrām is een Sunnah (aanbevolen) voor zowel mannen als vrouwen, zelfs voor vrouwen die menstrueren of bloeden na de bevalling. De Profeet (ﷺ) beval Asmā bint ‘Umays te baden nadat zij Muhammad Ibn Abu Bakr had gebaard bij Dhul-Hulayfah (vlakbij Medina) op weg naar Hadj:
“Neem een bad, wikkel jezelf in een doek [om bloedverspreiding te voorkomen] en treed in Ihrām.” Overgeleverd door Muslim van Jābir (رضي الله عنه).
Na het bad en het aanbrengen van de geur (alleen voor mannen) trekt men de Ihrām-kleding aan. Voor een man betekent dit een groot stuk stof voor het onderlichaam (izār) en een groot stuk stof voor het bovenlichaam (ridā). Een man mag geen kleding dragen die zijn ledematen omhult, zoals broeken, korte broeken, shirt, capuchon of leren sokken (khufayn). Het is toegestaan voor een man om de Ihrām-kleding al voor de Meeqāt aan te trekken als dat praktischer is (bijvoorbeeld voor het instappen van een vlucht). Kort voor het passeren van de mīqāt gaat hij in de staat van Ihrām door de talbiyah uit te spreken.
Voor vrouwen geldt dat ze alles mogen dragen zolang hun schoonheid niet wordt getoond, bijvoorbeeld een jilbāb. Ze mogen geen niqāb (gezichtssluier) of handschoenen dragen – maar ze mogen hun gezicht bedekken met hun jilbāb of khimār door de stof van hun hoofd over hun gezicht te trekken wanneer niet-mahram (niet-verwante) mannen in de buurt zijn. Er is geen probleem als de stof het gezicht raakt. Verder moet het hele lichaam bedekt blijven, inclusief voeten (met schoenen of sandalen), enkels (met sokken), schenen, onderarmen, oren, haar, nek, enz.
Vervolgens bidt men het verplichte gebed als het tijd is. Zo niet, dan kan men twee rak’ahs bidden met de intentie het Sunnah-gebed ter voltooiing van wudoo (ablutie) te verrichten. Vrouwen die menstrueren of na de bevalling bloeden, mogen niet bidden.
Na het bidden en het bereiken van de mīqāt (de plaats waar men in Ihrām gaat, per land of lucht), spreekt men de talbiyah uit. Kort voor het passeren van de mīqāt (bij een vlucht) gaat men in de staat van Ihrām door de talbiyah uit te spreken. De talbiyah wordt als volgt gereciteerd:
لَـبَّـيْكَ ٱللّـهُـمَّ بِعُمْرَة –
Labbaik allāhumma bi-‘umrah
Hier ben ik, O Allah, voor ‘Umrah
Vervolgens staat men, richt zich naar de Qiblah en reciteert:
اللَّهُمَّ هَذِهِ عُمْرَةٌ لاَ رِيَاءَ فِيْهَا وَلاَ سُمْعَة –
Allahumma hādhihi ‘umrah, lā riyā’a feehā wa lā sum’ah
O Allah, dit is een ‘Umrah, zonder opschepperij of faamzoeken
Daarna reciteert men de talbiyah hard en frequent tot men de Ka’bah bereikt:
لَبَّيْكَ اللَّهُمَّ لَبَّيْك، لَبَّيْكَ لاَ شَرِيْكَ لَكَ لَبَّيْك، إِنَّ الْحَمْدَ وَ النِّعْمَةَ لَكَ وَالْمُلْكُ لاَ شَرِيْكَ لَك
Labbaik Allahumma Labbaik, Labbaika laa shareeka laka Labbaik, Innal hamda wanni‘mata laka wal-mulk, Laa shareekalak
[Hier ben ik, O Allah. Hier ben ik, U heeft geen partner. Hier ben ik, alle lof is voor U en alle rijkdom is van U – en alle heerschappij is van U, U heeft geen partner]
Voor mannen is het Sunnah om de talbiyah luid uit te spreken, zoals de Profeet (ﷺ) heeft bevolen. Voor vrouwen wordt het stil uitgesproken.
De betekenis van de talbiyah: ‘Hier ben ik, O Allah’ betekent dat men antwoord geeft aan Allah en Zijn gehoorzaamheid bevestigt.
Namens iemand anders: Als iemand ‘Umrah verricht namens een ander, moet de intentie vanaf het begin in het hart zijn. Bij de Meeqāt zegt men:
اللهم لبيك عمرة عن فلان –
Allāhumma labbayk ‘umrah ‘an [naam van de persoon]
Kinderen: Het Hajj en ‘Umrah van kinderen telt, ook voor kinderen jonger dan 7 jaar. De begeleidende voogd maakt de intentie in zijn hart dat het kind ‘Umrah verricht. Bij een jongen wordt de Ihrām-kleding aangetrokken en de talbiyah uitgesproken namens hem/haar.
Voorzichtigheid bij belemmeringen: Als men vreest dat iets het voltooien van de rituelen kan verhinderen (bijv. ziekte), kan men een voorwaarde stellen bij de intentie van Ihrām:
اللَّهُمَّ مَحِلِّيْ حَيْثُ حَبَسْتَنِي –
Allahumma mahillee haithu habastanee
O Allah! mijn plaats is waar U mij belemmert
De Profeet (ﷺ) vervolgde: “Van Allah krijg jij datgene waarvoor je een uitzondering hebt gemaakt.” Overgeleverd door Muhammad ibn Ismail al-Bukhari en Muslim ibn al-Hajjaj.
Het is voor de muhrim (iemand die zich in de staat van ihrām bevindt) verplicht om de talbiyah te blijven reciteren tijdens het verrichten van de ‘Umrah, vanaf het moment dat hij de ihrām binnengaat tot het moment dat hij op het punt staat te beginnen met de tawāf.
Wanneer men dicht bij Mekka komt, wordt het aanbevolen om een rituele wassing (ghusl) te verrichten als dat gemakkelijk voor hem is, aangezien de Profeet ﷺ ook ghusl verrichtte voordat hij de stad binnenging.
Wanneer men Masjid al-Haram in Mekka bereikt, zet men zijn rechtervoet naar voren om binnen te gaan en zegt men:
اللَّهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ وَ سَلِّم، اللَّهُمَّ افْتَحْ لِي أَبْوَابَ رَحْمَتِك
Allahummasalli ‘ala Muhammad wasallim – Allahumma iftah lī abwāba raḥmatika
O Allah, schenk zegeningen en vrede aan Mohammed. O Allah, open voor mij de poorten van Uw barmhartigheid
Een persoon moet binnengaan met onderdanigheid en nederigheid, terwijl hij de grootheid en macht van Allah erkent. Tegelijk moet hij zich ervan bewust zijn dat hij de ontvanger is van de gunst van Allah, Die het voor hem gemakkelijk heeft gemaakt om het Heilige Huis, de Ka‘bah, te bereiken.
Tawaf rond de Ka‘bah
De tawāf begint en eindigt bij de Zwarte Steen (Al-Hajr Al-Aswad).
Daarna begeeft hij zich naar het Huis (de Ka‘bah) en richt hij zich op de hoek waar de Zwarte Steen zich bevindt, zodat hij daar zijn tawāf kan beginnen. Hij zegt niet: “Ik heb de intentie om tawāf te verrichten…” Dit soort uitspraak is niet overgeleverd van de Profeet ﷺ. De plaats van de intentie is in het hart. Volgens de meest correcte mening van de geleerden is wudoe (rituele wassing) verplicht voor de tawāf, maar het is geen vereiste voor de sa‘ī.
Hij gaat rechtstreeks naar de Zwarte Steen en terwijl hij ernaar gericht staat zegt hij: “Bismillāh, Allāhu Akbar.” Hij raakt de steen aan met zijn rechterhand en kust deze als dat gemakkelijk voor hem is. Hij doet dit uit verering voor Allah, de Almachtige en Majestueuze, en uit navolging van de Boodschapper van Allah ﷺ — zonder te geloven dat de Zwarte Steen op zichzelf voordeel of schade kan brengen, want dat ligt alleen bij Allah.
Het is overgeleverd van de leider van de gelovigen, Umar ibn al-Khattab (رضي الله عنه), dat hij de Zwarte Steen kuste en zei:
“Ik weet dat jij slechts een steen bent; jij brengt geen voordeel en geen schade. En als ik niet had gezien dat de Boodschapper van Allah – vrede en zegeningen van Allah zij met hem – jou kuste, dan zou ik jou nooit hebben gekust.”
Als het niet gemakkelijk is om de Zwarte Steen te kussen, dan moet hij deze met zijn hand aanraken en daarna zijn hand kussen. Muhammad ibn Ismail al-Bukhari en Muslim ibn al-Hajjaj hebben van Abdullah ibn Umar (رضي الله عنه) overgeleverd dat hij de Zwarte Steen aanraakte en daarna zijn hand kuste. Vervolgens zei hij:
“Ik ben daarmee nooit gestopt sinds ik de Profeet ﷺ dat heb zien doen.”
Als het voor iemand niet gemakkelijk is om de Zwarte Steen met zijn hand aan te raken, dan mag hij niet duwen en dringen om er te komen. Dat schaadt hemzelf en schaadt anderen. Hierdoor kan zijn staat van nederigheid en onderdanigheid verdwijnen, waardoor hij juist datgene verliest waarvoor hij de tawāf begon: nederigheid en de aanbidding van Allah. Het kan zelfs gebeuren dat hij daardoor vervalt in onjuiste woorden, discussies of ruzies.
Het is daarom voldoende dat iemand zijn hand opheft in de richting van de Zwarte Steen (recht tegenover deze), zelfs als dat van een afstand is. Hij kust zijn hand daarna echter niet en raakt ook niet zijn borst of hart aan.
Muhammad ibn Ismail al-Bukhari heeft overgeleverd van Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما) dat de Profeet ﷺ de tawāf verrichtte terwijl hij op een kameel zat, en telkens wanneer hij langs de Zwarte Steen kwam, wees hij ernaar. In een andere overlevering staat dat hij ernaar wees met iets dat hij in zijn hand had en daarbij de takbīr uitsprak (dat wil zeggen: Allāhu akbar).
Daarna, nadat hij hiermee is begonnen, draait hij naar links zodat het Huis (de Ka‘bah) zich aan zijn linkerzijde bevindt, en loopt hij verder. Wanneer hij de Jemenitische hoek bereikt, raakt hij deze aan als dat gemakkelijk voor hem is, zonder deze te kussen. Dit is de laatste hoek voordat men weer bij de Zwarte Steen komt. Ook hier mag hij niet duwen of mensen verdringen.
Van het Huis mag niets met de hand worden aangeraakt behalve de Zwarte Steen en de Jemenitische hoek. Dat komt omdat alleen deze twee nog op de fundamenten staan die door Ibrahim (عليه السلام) zijn gebouwd, en de Profeet ﷺ raakte alleen deze twee hoeken aan.
Ahmad ibn Hanbal heeft overgeleverd – en de basis ervan is ook te vinden bij Muhammad ibn Ismail al-Bukhari en Muslim ibn al-Hajjaj – van Mujāhid, van Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما), dat hij tawāf verrichtte rond het Huis (de Ka‘bah) samen met Muawiyah ibn Abi Sufyan (رضي الله عنهما), en dat Mu‘āwiyah alle vier de hoeken aanraakte.
Ibn ‘Abbās zei tegen hem:
“Waarom raak je deze twee hoeken aan terwijl de Boodschapper van Allah ﷺ ze nooit heeft aangeraakt?”
Mu‘āwiyah antwoordde:
“Er mag niets van dit Huis worden overgeslagen.”
Toen zei Ibn ‘Abbās tegen hem:
“Voorwaar, in de Boodschapper van Allah heb je een uitstekend voorbeeld.”
Mu‘āwiyah antwoordde:
“Je hebt de waarheid gesproken.”
Tijdens de ronde tussen de Jemenitische hoek en de Zwarte Steen dient men te reciteren:
رَبَّنَا آتِنَا فِي الدُّنْيَا حَسَنَةً وَ فِي الآخِرَةِ حَسَنَةً وَ قِنَا عَذَابَ النَّار
Rabbanā ātinā fid-dunyā ḥasanah wa fil-ākhirati ḥasanah wa qinā ‘adhāban-nār
Onze Heer! Geef ons het goede in deze wereld en het goede in het Hiernamaals en bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur
Telkens wanneer men langs de Zwarte Steen komt, doet men zoals eerder beschreven en spreekt men de takbīr uit (Allāhu akbar). Wanneer men echter de zevende ronde voltooit, wijst men niet meer met de hand naar de Zwarte Steen en spreekt men ook geen takbīr uit, omdat de tawāf dan is beëindigd.
Tijdens de rondes van de tawāf mag men alles zeggen wat men wil aan dhikr (het gedenken van Allah), smeekbeden (du‘ā’) en het reciteren van de Qur’an. De tawāf rond de Ka‘bah en de sa‘ī tussen Safa en Marwah zijn plaatsen voor het gedenken van Allah.
Als iemand het aantal rondes vergeet, dan neemt hij datgene waarover hij zeker is en maakt hij de rest af. Dus als hij zeker weet dat hij drie rondes heeft voltooid, maar twijfelt of hij de vierde heeft gedaan, dan gaat hij verder op basis van drie (en niet vier).
Het is Sunnah voor een man tijdens deze tawāf van ‘Umrah om één zijde van zijn ihrām-kleed onder zijn rechterarm door te halen, zodat zijn rechter schouder en arm onbedekt zijn, terwijl de linkerkant bedekt blijft. Het overtollige deel van de stof wordt daarbij over de linkerschouder gelegd.
Verder dient hij tijdens de eerste drie rondes van de tawāf korte, snelle passen te nemen (dit staat bekend als ar-Raml). In de laatste vier rondes doet hij dat niet. Dit is echter niet nodig wanneer hij samen loopt met zijn vrouwen, jonge kinderen of ouderen.
De tawāf bestaat uit zeven rondes, beginnend bij de Zwarte Steen (Al-Hajr Al-Aswad) en daar ook eindigend. Het is niet toegestaan dat men zijn ronde door Al-Hijr afsnijdt; dit is het gebied dat gedeeltelijk wordt omgeven door een lage halfronde muur naast de Ka‘bah.
Bidden achter Maqam Ibrahim
Na het voltooien van de zeven rondes begeeft men zich naar de Maqam Ibrahim (de Standplaats van Ibrāhīm), een kleine constructie van glas en messing die niet ver van de Zwarte Steen staat. Met de Maqām van Ibrahim ergens vóór zich reciteert men:
وَاتَّخِذُوْا مِنْ مَّقَامِ إِبْرَاهِيْمَ مُصَلًّى
Wattakhidhū min maqāmi ibrāhīma muṣallā
En neem de standplaats van Ibrāhīm als een plaats van gebed
Daarna verricht men twee rak‘ahs achter de Maqām van Ibrāhīm — dichtbij als dat mogelijk is, en anders wat verder ervan vandaan.
In de eerste rak‘ah, na Sūrat al-Fātiḥah, reciteert men Sūrat al-Kāfirūn en in de tweede rak‘ah reciteert men Sūrat al-Ikhlās.
Wanneer men door de Haram loopt, moet men zoveel mogelijk vermijden om voor iemand langs te lopen die aan het bidden is, door tussen hem en zijn sutrah te gaan staan als hij er een heeft.
De sutrah is een voorwerp van ongeveer een el (of hoger) dat zich vlak voor de plek van de sujūd (neerwerping) bevindt wanneer iemand bidt. Dit kan bijvoorbeeld een object zijn of zelfs een stilstaande persoon. Deze regel geldt echter niet tijdens het gezamenlijke gebed, wanneer de imam het gebed leidt, omdat de sutrah van de imam ook de sutrah van de hele gemeenschap is.
Na het gebed gaat men naar het water van Zamzam bron en drinkt ervan en giet er ook wat van over zijn hoofd. De Profeet ﷺ zei:
“Zamzam is voor datgene waarvoor men het drinkt.”
In een andere overlevering zei hij:
“Het is gezegend; het is een voeding die voedt en een genezing die geneest.”
Hij zei ook:
“Het beste water op het oppervlak van de aarde is Zamzam…”
Daarna gaat men verder naar Safā. Wanneer hij de voet van Safā bereikt, reciteert hij:
إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَآئِرِ اللَّهِ فَمَنْ حَجَّ الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ
أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا وَمَنْ تَطَوَّعَ خَيْراً فَإِنَّ اللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيْم
Innaṣ-ṣafā wal-marwata min sha‘ā’irillāh. Faman ḥajja-l-bayta awi‘tamara falā junāḥa ‘alayhi
an yaṭṭawwafa bihimā. Wa man taṭawwa‘a khayran fa’innallāha shākirun ‘alīm
Voorwaar, As-Safā en Al-Marwah behoren tot de tekenen van Allah. Er treft degene die de Hadj of de 'Umrah verricht geen blaam om er tussen te lopen. En wie vrijwilllig goede daden verricht, voorwaar, Allah is Dankbaar, Alwetend
Vervolgens zegt hij:
نَبْدَأُ بِمَا بَدَأَ اللهُ بِهِ
Nabda’u bimā bada’a-llāhu bih
Wij beginnen met datgene waarmee Allah begonnen is
Hij reciteert dit alleen op dit punt aan de voet van Safā en herhaalt het daarna niet meer. Vervolgens stijgt hij Safā op totdat hij, indien mogelijk, de Ka'bah kan zien. Hij richt zich naar de Ka‘bah, heft zijn handen op, prijst Allah en verheerlijkt Hem zoals de Profeet ﷺ deed, terwijl hij zegt:
اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ
لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيْكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَ لَهُ الْحَمْدُ يُحْيِي وَ يُمِيْتُ وَ هُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيْر
لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيْكَ لَه، أَنْجَزَ وَعْدَهُ وَ نَصَرَ عَبْدَهُ وَ هَزَمَ الأَحْزَابَ وَ حْدَهُ
Allāhu akbar, Allāhu akbar, Allāhu akbar
Lā ilāha illa-llāhu waḥdahu lā sharīka lah
Lahul-mulku wa lahul-ḥamd
Yuḥyī wa yumīt, wa huwa ‘alā kulli shay’in qadīr
Lā ilāha illa-llāhu waḥdahu lā sharīka lah
Anjaza wa‘dah, wa naṣara ‘abdah
wa hazamal-aḥzāba waḥdah
Allah is de Grootste, Allah is de Grootste, Allah is de Grootste
Er is geen ware god die het waard is om aanbeden te worden behalve Allah alleen, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort alle heerschappij en alle lof. Hij geeft leven en doet sterven, en Hij is Almachtig over alle zaken. Er is geen ware god behalve Allah alleen, zonder deelgenoten. Hij heeft Zijn belofte vervuld, Zijn dienaar geholpen en alleen de bondgenoten (van de vijanden) verslagen
Hij herhaalt dit drie keer. Na de eerste en tweede keer verricht hij smeekbeden (du‘ā’) tot Allah met wat hij wil en zo lang hij wil.
Daarna daalt hij af van Safā en loopt richting Marwah totdat hij de groene lampen bereikt. Wanneer hij deze bereikt (alleen voor mannen), rent hij snel – voor zover hij kan zonder iemand schade te berokkenen – tot hij het einde van de groene lamp bereikt. Daarna loopt hij weer in een normaal tempo totdat hij Marwah bereikt.
Hij beklimt Marwah gedeeltelijk, richt zich naar de qiblah (richting van de Ka‘bah), heft zijn handen op en herhaalt wat hij deed op Safā. Vervolgens daalt hij Marwah af en loopt weer richting Safā. Wanneer hij de eerste groene lamp bereikt, rent hij opnieuw tot aan het einde van de groene lamp.
Bij Safā stijgt hij weer op en herhaalt wat hij eerder deed: het heffen van de handen voor du‘ā’, het prijzen en verheerlijken van Allah en het verrichten van smeekbeden.
De gang van Safā naar Marwah telt als één ronde en van Marwah naar Safā als twee, daarna terug naar Marwah als drie, enzovoort. In totaal moeten zeven rondes worden voltooid. Als dit correct wordt gedaan, eindigt men altijd bij Marwah.
Wanneer men Marwah bereikt aan het einde van de zevende ronde, reciteert men niet opnieuw de lofprijzingen of smeekbeden. Door het bereiken van Marwah is de sa‘ī voltooid.
Tijdens het lopen tussen Safa en Marwah kan men alles reciteren wat men wil aan dhikr (het gedenken van Allah), du‘ā’ (smeekbeden) en Qur’an-recitaties.
Het daadwerkelijk rennen tussen de groene markeringen, is Sunnah en niet verplicht. Vrouwen mogen niet rennen tussen de groene markeringen. Als een man ouderen, vrouwen of jonge kinderen begeleidt en vreest hen in de menigte kwijt te raken, hoeft hij niet te rennen.
De tawāf en sa‘ī kunnen op elke verdieping van de Masjid al-Haram worden verricht. Over het algemeen gaat de tawāf sneller op de begane grond, maar daar is het vaak drukker. Op de hogere verdiepingen is het minder druk, maar het kost meer tijd om de rondes te voltooien. De afstand van de sa‘ī is op elke verdieping hetzelfde, maar ook hier kan de begane grond drukker zijn. Zamzam-waterkranen zijn op verschillende plaatsen in de Grote Moskee te vinden.
Als het gezamenlijke gebed begint terwijl iemand tawāf of sa‘ī verricht, moet hij zich bij de gemeenschap aansluiten en met hen bidden. Daarna gaat hij verder vanaf het punt waar hij was gebleven.
Scheren of knippen
Wanneer de zeven rondes van de sa‘ī voltooid zijn, moet een man zijn haar scheren of knippen, waarbij scheren de voorkeur heeft. Een vrouw daarentegen moet haar haar inkorten en mag haar hoofd niet scheren. Wanneer haar haar samengebonden is, knipt zij er slechts ongeveer een vingertoplengte vanaf.
Met deze handelingen is de ‘Umrah voltooid, en verlaat men de staat van ihrām. Alles wat daarvoor verboden was, wordt dan weer toegestaan.






